Gepost op

De Poepdoos en de Strontkar

Strontkar: collectie Gevangenismuseum Veenhuizen

Het gras van de buurman was altijd groener… in Gevangenis Veenhuizen. Dat was niet alleen te zien aan het uiterlijk vertoon van rangen en standen, maar daar behoorden ook de privileges bij. Dat onderscheid was zelfs te zien aan de toiletten van de ambtenaren…..

Rond 1880 deed iedereen in Veenhuizen het nog op de poepdoos. Dat was een houten kist met een rond gat erin van ca. 35 cm., een deksel erop en een ton eronder. Tot zover waren ze allemaal gelijk, maar er waren „Poepdozen” en „poepdozen”. Onderscheid moest er zijn in Veenhuizen. De hogere ambtenaren hadden…

Lees dit verhaal en bijna 100 andere in het boek Bajesverhalen Veenhuizen!

Gepost op

Ruggenkruipers en Hielenlikkers

Mijn ouders maakten van 1938 tot 1962 deel uit van de Veenhuizer gemeenschap. We woonden op de Hoek Oude Gracht no.5, dat onderdeel was van het oude Tweede Gesticht, dat nu als Gevangenismuseum dienst doet. Met het gezicht naar de Oude Poort stond ons huis op de linker hoek van de Oude Gracht, tegenover het Slachthuisje. Ik herinner me nog een paar woningen in hetzelfde rijtje, waar o.a. de familie Kobus woonde. Daarnaast had je de Sparwinkel en dan de Oude Poort.

boevenbusAan de andere kant van de Oude Poort had je kapper Plomp en het Postkantoor. Voor de rest waren naast ons de werkplaatsen ingericht voor de gevangenen. Het huis kregen mijn ouders toegewezen na hun huwelijk in 1939. Mijn vader werd daar in 1938 ambtenaar. Hij was gevangenen bewaarder, ook wel zaalopziener genoemd en draaide zijn diensten in het gesticht Esserheem. Dat is de nieuwe naam voor het Tweede Gesticht ook wel Veenhuizen 2 genoemd. Het cellencomplex „De Rode Pannen” lag op ca. 80 meter schuin tegenover onze woning en de gevangenis Esserheem op ca. 300 meter schuin achter ons, zodat Pa dagelijks lopend naar zijn werk kon.

IMG_0317Hij was ambtenaar…..Een luizenbaantje, zou je denken. Maar zo zag hij het niet. Hij had dagelijks te maken met allerlei soorten criminelen en moest elk moment op zijn tellen passen. Hij was cipier, bewaker over streng gestraften. Veenhuizen was een open gevangenis, dus de gedetineerden zaten niet de hele dag opgesloten, maar deden ook werk op het land of in de werkplaatsen. s’Avonds kwamen ze terug van het werk. Dan begon het echte werk van de zaalopziener. Hij moest altijd op zijn hoede zijn voor een onverwachte aanval van een of andere onberekenbare misdadiger. Hij stond zijn mannetje en was streng maar rechtvaardig tegenover de gedetineerden. Hij had over het  algemeen weinig last van de gevangenen. Ze begrepen hem en ze gehoorzaamden, ook al waren ze het soms niet met hem eens. Hij kon overtuigend optreden als er een twist tussen gevangenen uit de hand liep. Hij zag dingen in de gevangenis die het daglicht niet konden verdragen zoals mishandeling van weerbarstige gevangenen. Daar mocht hij niet over praten. Hij deed dat pas veel later, toen hij Veenhuizen al lang verlaten had. Dat deel van zijn werk was soms best zwaar, maar Pa had moeilijkheden op een ander vlak tijdens zijn werk.

Hij kon in het algemeen goed opschieten met zijn collegae en noemde vaak “Dikke Jan Postma”, Seetz, Haver en Vogelzang als voorbeeld. Maar hij haatte de  mentaliteit van bepaalde  ambtenaren en stak dat niet onder stoelen of banken. Hij noemde het de “Ruggenkruipers”, “Ellenboogwerkers” en “Hielenlikkers”. Zo zag hij zijn collegae, die over de rug van anderen  promotie maakten. Dat waren over het algemeen mannen met een geringe vooropleiding, zonder ervaring en die naast hun schoenen liepen van verwaandheid. Hij doelde op de ambtenaren die omhoog vielen bij gebrek aan gewicht. Dat waren de nietsnutten, de likkers en slijmerds, die geen knip voor de neus waard waren. Pa kon er niet tegen, dat juist deze nietsnutten promotie maakten, terwijl degenen, die er qua kennis en ervaring het meest voor in aanmerking kwamen, geen kans maakten. Daarbij vertelde hij vaak over de jaloezie onder de ambtenaren. Je wist van iedere ambtenaar wat hij verdiende. Je collega in dezelfde rang verdiende net zoveel als jij. Maar…de een kon meer met zijn geld dan de ander en daarom was “Het gras van de buurman altijd groener… in gevangenis Veenhuizen…”.

Gepost op

Geboren in het Tweede Gesticht

Zonder op al te veel jaartallen en details in te gaan zal ik proberen weer te geven, hoe ik zijdelings in deze wereld verzeild ben geraakt en hoe ik Veenhuizen beleefd heb vanaf 1940. Veenhuizen had en heeft een beladen imago. In de jaren, dat ik er woonde, gebeurde het vaak, dat mensen van buiten het dorp mij vroegen: ”Waar kom je vandaan, waar ben je geboren?” Ik antwoordde dan nietsvermoedend: „In Veenhuizen”. Nou, dat kon je beter niet zeggen, want dan kwam steevast het gevatte antwoord: „Veenhuizen? Hoe lang heb je gezeten?” En vervolgens: „Je moeder ook?” Ik antwoordde later met „Ik ben geboren in Norg” en dat was ook zo, want Veenhuizen maakte deel uit van de gemeente Norg. „Geboren te Norg” stond en staat nog steeds in mijn paspoort. Het is natuurlijk de gewoonste zaak van de wereld, maar als kind vond je die opmerkingen niet zo leuk.

Er is overigens nog een bijzonderheid te melden: Ik ben namelijk geboren in het oude Tweede Gesticht, midden tussen de werkplaatsen van de gedetineerden. Maar hoe kwam dat? Hoe kom je terecht in de oude gevangenis van Veenhuizen en nog wel midden tussen de landlopers en gevangenen? Had je criminele (voor)ouders misschien? Nee, verre van dat. Mijn ouders waren streng katholiek en het woord „crimineel” paste helemaal niet bij ze. Integendeel, ze gingen ook door de week vaak naar de kerk en s’zondags zelfs twee keer. Ze leefden volgens de 10 Geboden en de 5 Geboden van de „Heilige Kerk”. Ik heb ze uit mijn hoofd moeten leren, maar ondanks mijn geloof in een God, stokt hier mijn lange geheugen. Bepaalde regels die de Katholieke kerk hieromheen verzonnen heeft, ken ik nog vaag.

Ik ben op 6 maart 1940 geboren in een vrij klein huis aan de Oude Gracht tussen twee werkplaatsen van gevangenen in het oude Tweede Gesticht. Aan de ene kant was de smederij, aan de andere kant de klompenmakerij. Bijna niemand gelooft me nu als ik dit zeg, want dat huis heeft niet zo lang dienst gedaan als woning. Het werd later weer als werkplaats ingericht. Ik heb er bijna zeven jaar gewoond en heb er nog dankbare herinneringen aan. Die herinneringen wilde ik al lang geleden een keer op papier zetten, maar steeds kwam dat maar gedeeltelijk van de grond. Ik had al wel een paar pagina’s geschreven voor iemand die eerder een boek heeft geschreven over Veenhuizen. Toen ik dat aan een vriend vertelde zei hij: „Waarom doe je het niet zelf?” Zo kwam ik op het idee om mijn ervaringen op te schrijven en met vroegere en huidige inwoners van Veenhuizen te gaan praten over gebeurtenissen uit het verleden. Dat tezamen met wat ik erover gelezen heb, zorgde er voor dat ik een aantal gegevens en anekdotes verzameld heb.

Dat wil niet zeggen dat ik alle informatie over de geschiedenis van Veenhuizen nog een keer op een rijtje ga zetten. Daarvoor zijn er uitstekende schrijvers geweest die dit zeer nauwgezet hebben gedaan en van het ontstaan van Veenhuizen tot nu toe bijna alle gebeurtenissen met jaartallen hebben opgetekend. Ik wil meer een indruk geven over het dagelijkse leven in en om het gevangenisdorp van 1940 tot ca. 1965, toen ik Veenhuizen verliet. Verder probeer ik de motivatie weer te geven van- en hoe mijn grootouders rond 1910 een boerderij bouwden aan de rand van Veenhuizen en zich daar vestigden. Zij waren nauw betrokken bij de gemeenschap in Veenhuizen en vertrokken later door omstandigheden, die ik slechts gedeeltelijk ken, weer naar hun geboortestreek. Ongeveer 15 jaar na het vertrek van mijn grootouders kwamen mijn ouders naar Veenhuizen.